Accepteer cookies om deze inhoud in te laden.

Cobra kreeg zeven zalen toebedeeld, die de groep aanvankelijk maar moeilijk wist te vullen. Van Eyck vroeg de leden daarom om speciaal voor deze tentoonstelling nieuw werk te maken. Dit resulteerde onder meer in het monumentale Mens en dieren van Karel Appel, dat een van de hoogtepunten van de tentoonstelling zou worden en nog altijd geldt als een belangrijk werk in de collectie van het Stedelijk Museum. Met zijn formaat van ca. 350 × 360 cm nam het ongeveer de halve breedte van de zaal in beslag. Door het kunstwerk niet op te hangen maar op de vloer neer te zetten, op enkele decimeters van de muur, werd het een zelfstandig ruimtelijk element binnen het tentoonstellingsontwerp. Corneille maakte een kubusvormig schilderij, dat eveneens op de vloer werd geplaatst en dat door zijn driedimensionale structuur de grens tussen kunstwerk en voetstuk deed vervagen.

Kleinere schilderijen werden hoog of juist heel laag aan de muur gehangen, hetgeen een dynamische ruimtelijke compositie opleverde die deed denken aan de esthetiek van De Stijl, maar die het publiek tegelijkertijd dwong om letterlijk op een andere manier naar moderne kunst te kijken. Nog een opvallende ingreep van Van Eyck om de relatief bescheiden kunstwerken goed te laten uitkomen in de ruime zalen, was het gebruik van lage, uit planken samengestelde vlonders. Hierop werden prenten en tekeningen in diverse samenstellingen uitgestald. De vlonders waren zwart of wit geverfd (hoewel we de exacte kleur niet kunnen achterhalen; er bestaan alleen nog enkele zwart-witfoto’s als bewijs) en konden worden samengevoegd tot grotere elementen.

In 1951 vond de tweede tentoonstelling plaats in Luik, in het Paleis voor Schone Kunsten. Bij deze editie waren meer Belgische kunstenaars betrokken, plus enkele oudere kunstenaars die door de Cobraleden werden bewonderd, onder wie Miró en Giacometti. Het poëziegedeelte verviel en in plaats daarvan werd er een filmfestival toegevoegd. Van Eyck maakte gebruik van soortgelijke technieken als in Amsterdam, maar nu met een nog radicalere benadering van de voetstukken: die waren niet alleen laag en vlak, maar vormden nu veelal de basis voor één enkel beeldhouwwerk. Sommige waren uitgevoerd als een bed van steenkool, waarschijnlijk als verwijzing naar de Belgische mijnstreek. Het grootste element uit deze reeks diende als ondergrond voor de kleine stenen beelden van Henry Heerup.

Bewerkte tekst uit de catalogus Art on Display 1949-69.

Penelope Curtis, Dirk van den Heuvel
jo taillieu architecten
Goda Budvytyte
Calouste Gulbenkian Museum, Fondazione Musei Civici di Venezia
Calouste Gulbenkian Museum
LEVS architecten, WDJARCHITECTEN, Hubert-Jan Henket

Art on Display 1949-69 maakt deel uit van een serie tentoonstellingen die bestaan uit 1:1 modellen die zich richten op de specifieke kwaliteiten van het interieur als snijpunt van architectuur en design.